Huygens ING VOC - Kenniscentrum




VOC - Kenniscentrum

Home
Oprichting, organisatie en ondergang van de VOC
Kamers van de VOC
Schepen van de VOC
De VOC Overzee
Belangrijkste gewesten overzee
Belangrijkste handelsproducten
Detailkaarten
Thema's
Literatuur
Adressen
geen e-mail meer

 
Huygens ING
Den Haag
Belangrijkste handelsproducten

Goud en Zilver

Japanse gouden kobang, 17e eeuw

Japanse gouden kobang,
17e eeuw, Rijksmuseum het Koninklijk Penningkabinet

Goud en zilver zijn edele metalen, waarvan sieraden gemaakt worden en muntstukken, die als geld functioneren. De VOC gebruikte gemunt en ongemunt goud en zilver als ruil- en betaalmiddel. Vanwege de onevenwichtige handelsbalans tussen Azië en Europa was de beschikbaarheid van goud en zilver van essentieel belang. Europa was namelijk wel geïnteresseerd in Aziatische producten, maar Azië zag niet veel in wat Europa te bieden had. Dat betekende dat Europa het verschil in geld of baar edel metaal moest bijpassen. Nu trof het dat Europa sinds de 16e eeuw in ruime mate kon beschikken over zilver, dat door de Spanjaarden uit de Nieuwe Wereld werd aangevoerd.

De onevenwichtige handelsbalans tussen Europa en Azië had tot gevolg, dat op de uitgaande reizen door de schepen van de VOC tientallen gesloten en gezegelde kisten met contanten en baar zilver of goud moesten worden meegenomen. De contanten bestonden uit een heel scala van muntgeld, van gouden dukaten tot zilveren realen, rijksdaalders en dukatons. De kleinere munteenheden bestonden uit enkele en dubbele stuivers, die overigens ook van zilver waren. In Azië waren veel verschillende munteenheden in omloop, hetgeen vaak tot grote verwarring bij de wisselkoersen leidde. Binnen de gewesten van de VOC zelf bestond deze verwarring ook. Na enige decennia van groei bereikte de export van geld en edele metalen in het midden van de 17e eeuw jaarlijks een waarde van 0,5 tot 1 miljoen gulden. Na 1680 nam de jaarlijkse zending gestaag toe, tot in het decennium 1720-1730 een hoogtepunt werd bereikt van meer dan 6,5 miljoen gulden per jaar. Daarna schommelde het jaarlijkse niveau op zo’n 4 tot 6 miljoen. Staafzilver werd pas op een regelmatige basis uitgevoerd na circa 1685; de export van staafgoud werd pas een jaarlijks terugkerend gegeven na het midden van de 18e eeuw.

De VOC probeerde de export van goud en zilver naar Azië zoveel mogelijk te beperken, onder meer door deelname aan de handel in Azië zelf. Uit de winsten van deze handel hoopte men een deel van de Aziatische retouren te kunnen financieren. In Azië zelf werd hier en daar ook goud en zilver geproduceerd. In dit kader werd met name Japan belangrijk voor de VOC (kaart). In het midden van de 17e eeuw haalde men jaarlijks 1 tot 1,5 miljoen gulden aan zilver uit Japan. Daarmee werd in India vooral textiel aangekocht, dat weer werd gebruikt om er in Zuidoost-Azië specerijen mee te kunnen kopen. In 1668 verbood de Japanse overheid de export van zilver echter. De VOC schakelde daarom over op de export van goud, in het bijzonder op die van de gouden kobang, waarvan overigens het goudgehalte in het begin van de 18e eeuw door de Japanse overheid werd gehalveerd. De omzet aan kobangs was aanvankelijk redelijk groot: in het begin van de 18e eeuw jaarlijks ongeveer 0,6 miljoen gulden. Geleidelijk aan liep zij echter terug tot zij in 1752 geheel werd gestaakt. Behalve Japan waren er ook enige andere gewesten, die de VOC tijdelijk goud bezorgden, bijvoorbeeld Sumatra's Westkust, waar men een tijdlang heeft gepoogd met eigen personeel een goudmijn gaande te houden.

Top