Huygens ING VOC - Kenniscentrum




VOC - Kenniscentrum

Home
Oprichting, organisatie en ondergang van de VOC
Kamers van de VOC
Schepen van de VOC
De VOC Overzee
Belangrijkste gewesten overzee
Belangrijkste handelsproducten
Detailkaarten
Thema's
Literatuur
Adressen
geen e-mail meer

 
Huygens ING
Den Haag
Belangrijkste gewesten overzee

Japan

Handelspost Desjima, 1810, tekening van Keiga Kawahara

Handelspost Desjima, 1810, tekening van Keiga Kawahara,
Maritiem Museum Rotterdam

De VOC had vanaf 1609 een handelskantoor in Japan. Aanvankelijk was dit kantoor gevestigd in Hirado aan de westkust van het zuidelijke eiland Kijusju; later, vanaf 1641, in Nagasaki aan de zuidkust van hetzelfde eiland. Het eerste opperhoofd, dat door de Japanse shogun, een soort van eerste minister, was toegestaan handel te drijven was Jacques Specx. Tussen 1633 en 1639 vaardigde de shogun een aantal verboden uit, waarbij het Japanners verboden werd in het buitenland handel te drijven. Tevens werd de Portugezen vanwege hun missionaire activiteiten de toegang verboden. De Japanse autoriteiten waren namelijk zeer beducht voor buitenlandse invloeden, het christendom in het bijzonder. De Nederlanders, die ongevaarlijk werden geacht, werden zodoende de enige Europeanen, die nog in Japan waren toegelaten. Zij moesten echter het kantoor in Hirado afbreken en zich vestigen in Nagasaki, waar hen het kleine kunstmatige eilandje Desjima (kaart), in de baai voor de kust, werd toegewezen. De Nederlanders zouden tot diep in de 19e eeuw hun unieke positie in Japan behouden.

Desjima was slechts 520 meter in omtrek en de VOC betaalde daarvoor jaarlijks meer dan 15.000 gulden huur. Er waren enkele kantoren, woon- en pakhuizen en slechts één brug die naar de stad leidde. Het aantal Nederlanders bedroeg niet meer dan 10 tot 30 personen; militairen of zeelieden trof men er niet aan. De opperhoofden van het kantoor mochten van de Japanse autoriteiten niet langer dan één jaar in functie blijven, waarna zij het land moesten verlaten. Men mocht geen christelijke godsdienstoefeningen houden en als men de stad in wilde gaan was daar speciale toestemming voor nodig. Japanners mochten niet op Desjima komen met uitzondering van twee vertegenwoordigers van de plaatselijke overheid, dienstdoende tolken en prostituées. Het opperhoofd was verplicht eens per jaar een hofreis naar de shogun in Tokio te ondernemen, heen en terug ongeveer tweeduizend kilometer, om dank te betonen voor de uitzonderlijke positie van de VOC.

In het midden van de 17e eeuw voeren jaarlijks zo'n zeven schepen van de VOC naar Japan; in de 18e eeuw waren het er nog maar twee. Deze teruggang was vooral het gevolg van het steeds nauwere keurslijf dat de VOC werd opgelegd. Soms gebeurde het dat de import aan bepaalde maxima werd gebonden. Ook moest de VOC zich eenzijdige taxatie van haar goederen door Japanse kooplieden laten welgevallen. In de 17e eeuw was de import van zijde niettemin lange tijd lucratief. De export bestond vooral uit goud en zilver en ook wel uit porselein. De zeer voordelige zilver export werd in 1668 verboden. De VOC stapte toen op goud over. Ook de export van koper was belangrijk. Behalve voor de handel was Desjima ook belangrijk voor de uitwisseling van cultuur. Voor Japan was het eilandje lange tijd de enige bron van informatie over het Westen. In de tweede helft van de 18e eeuw werden door de paar Japanners, die het Nederlands machtig waren, anatomische, astronomische en geografische werken in het Japans vertaald.

Top